Ivy Green – Ivy Green Fraaie heruitgave van nederpunkklassieker uit 1978

Het is halverwege de jaren zeventig. In Hazerswoude, een dorp in Het Groene Hart, is weinig tot niets te beleven. Om iets te doen tegen de verveling richt tiener Eduard van Bockel Het Keldertje op, naast de garage van zijn ouders. Al snel raakt het bekend als K-74 en wordt het een broedplaats voor sex, drugs en rock-n-roll voor de jeugd van Hazerswoude-Dorp en omgeving.

De club legt, na vechtpartijen en brandstichting, al snel het loodje. Tim Mullens, Ernst-Jan Kamphuis en Van Bockel zijn vanaf dat moment wel onafscheidelijk. Het is de muziek die hen bindt en in de zomer van 1975 beginnen ze een band. Wat ontbreekt is een drummer, maar die is in de twaalfjarige (!) Arther van Dijke al snel gevonden.

De slaapkamer van Mullens doet dienst als oefenruimte. Tussen de kasten met Amerikaanse pulpliteratuur, die de inspiratie vormt voor de teksten van Mullens, groeit elke repetitie uit tot privéconcert voor vrienden. De vier hebben geen idee hoe ze om moeten gaan met de instrumenten. Zonder duidelijke voorbeelden zetten ze het op lawaai maken met vaak één akkoord. Alleen de muziek die ze – zwaar onder invloed – in K-74 opvingen, zoals Status Quo of Creedence Clearwater Revival, echoot nog wat na.

De Ramones zijn een eerste echte eyeopener, maar dan ook alleen omdat die klinken zoals Ivy Green zelf klinkt. De band maakt punk zonder het zelf te beseffen. Toch rijst de ster van de band op het podium zeer snel: veel spelplezier, een ongebreidelde energie en uitstekende songs zorgen ervoor dat Ivy Green ook buiten Het Groene Hart op deuren klopt. In januari 1978 speelt de formatie in Paradiso. Vanaf dat moment is de band niet meer weg te denken uit de nederpunkscene.

Eind 1977 sturen ze een demo naar WEA, op dat moment geen kinderachtige platenmaatschappij. Met in het achterhoofd de Sex Pistols ziet WEA wel brood in Ivy Green. Ze mogen de debuutplaat opnemen in de Soundpush Studios te Blaricum. De snotjongens trekken zich niks aan van alle dure opnameapparatuur en willen de plaat zonder poespas en in één take opnemen. WEA-producer Richard de Bois gaat akkoord en in twee dagen spelen en drie dagen mixen nemen ze de plaat op. De band verblijft ondertussen in een duur hotel en zet het daar op een feesten.

Het kwartet is tevreden met het resultaat, maar de plaat verkoopt voor geen meter. Althans, volgens de standaarden die WEA hanteert. De teller stopt bij ongeveer 2500 exemplaren, waarna de platenmaatschappij Ivy Green al snel bij het grofvuil zet. Voor punkbegrippen is het een zeer acceptabel aantal, want geen enkele nederpunkplaat verkocht goed in die dagen. Lp’s en singles van nederpunkbands belandden al snel in de uitverkoopbakken. Het wrange is dat datzelfde materiaal later grof geld opleverde bij verzamelaars.

En daarom is het, niet alleen vanuit muziekhistorisch perspectief, mooi dat Ivy Green een heruitgave heeft gekregen, zoals een klassieker dat verdient. De vijftien nummers klokken rond de twee tot drie minuten per stuk en staan bol van de adrenaline. Met schuurpapieren stem uit Mullens zijn frustraties over bijvoorbeeld het bekrompen dorpsleven, terwijl de ritmesectie als een bulldozer repetitief voorstuwt. Mullens jaagt de nummers af en toe aan met een krachtig “Oké, gaat-ie weer!”

De gitaren krassen en gruizen even repetitief; soms met maar één enkel akkoord, zoals in de overrompelende opener ‘I’m Sure We’re Gonna Make It’. Zelfs bijna veertig jaar later is Ivy Green een vitaal en onontkoombaar geheel met niet alleen maar gerag, want het zijn prima songs met ontluikend gevoel voor melodie. Tijdloos noemen ze dat. Voorbeelden te over, zoals het uitermate stuwende ‘Stupid Village’, met onder een deken van snaargruis een prachtige gitaarlijn. Of het messcherpe ‘I’m Lost’, met een venijnig duel tussen basgitaar en elektrische gitaar. Ook het ritmisch ijzersterke ‘Everyday the Same’ mag nog steeds niet onvermeld blijven. En wie kan stil blijven zitten op ‘Another Sub-Culture Going Bad’?

Ivy Green overleeft de punkperiode, hoewel de belangstelling voor de band begin jaren tachtig afneemt. In 1984 vindt de band weer aansluiting bij de dan heersende garagerockrevival. In 1985 verschijnt het uitstekende maar matig geproduceerde All on the Beat, waarop zelfs blazers te horen zijn. In 1990 valt het doek voor Ivy Green. Het debuut uit 1978 blijft echter ongeëvenaard goed, zoals op deze fraai verzorgde heruitgave onverminderd te horen is.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *